Guy:
‘Klaas deed iets met mensen. Hij was geliefd om hoe hij in het leven stond: sociaal en moedig’
Zijn positieve houding, zijn humor, zijn moed en zijn streken waren allemaal manieren om met zijn aandoening om te gaan. Klaas was een bijzonder iemand om in behandeling te hebben.
Ik ontmoette Klaas in april 2017 in het kader van een psychiatrisch consult op verzoek van mijn collega Jari, psycholoog bij Prisma. Klaas was op dat moment al jaren in behandeling bij Jari en zijn situatie was toen ernstig verslechterd. Een psychiatrische crisisopname bleek op dat moment nodig. Ik was destijds de hoofdpsychiater van de PAAZ (psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis) van het Waterlandziekenhuis in Purmerend. Ik heb Klaas daar vanuit Prisma opgenomen, wat op zich ongebruikelijk was, omdat een PAAZ in principe alleen ziekenhuis gerelateerde psychiatrie behandelt. We kozen hiervoor omdat onze PAAZ een veel vriendelijker omgeving bood dan een psychiatrische crisisafdeling in Amsterdam, waar ook veel psychotische mensen worden opgenomen. Op onze PAAZ hadden we alles in huis tot en met elektroshocks aan toe en we hadden een goed verpleegkundig team. Zelf heb ik een brede ervaring In de psychiatrie. Het was dus een goede plek voor Klaas.
Ik heb Klaas gedurende twee jaar meegemaakt in verschillende hoedanigheden. Hij was zó sociaal en kon zó goed contact leggen, hij deed iets met mensen. Hij kon mensen amuseren en enthousiasmeren, of het nu ging om motoren of om iets anders. Ook bij mij op het spreekuur kon hij vaak met zoveel smaak vertellen over wat hij had gedaan met de motor, een stunt of over iets wat fout was gegaan. Af en toe ging hij onderuit, waar hij heel smakelijk over kon vertellen. Hij kon dat heel goed delen. Ik heb zelf ook motorgereden, maar ik was een rustige, bescheiden rijder. Het praten over motorrijden was onderdeel van het contact dat wij hadden. Behandelen is bij mij niet een protocol volgen en de daarin beschreven stappen zetten, maar iemands leven leren kennen: weten hoe iemand is en hoe het leven er voor hem uitziet. Dat kom je te weten in gesprekken en dan kun je in de context van wie iemand is en hoe zijn leven eruitziet, proberen te begrijpen wat er aan de hand is. Psychiatrie is meer dan een diagnose en een protocol, integendeel. Ik ben tegen het volgen van protocollen en dat maakt me tegenwoordig tot een ‘ouderwetse’ psychiater.
‘Zijn krachtigste wapen was zijn humor; hij kon dan stralen’
Bij de eerste opname was het voor Klaas wennen om opgenomen te zijn, maar hij voelde zich wel veilig. Hij voegde zich in het gebeuren en nam zijn plek in. Dat deed hij goed. Hij deed met alles mee in de groep. Hij was ook op de afdeling sociaal en zijn contact met medepatiënten was goed. Hij was geliefd bij patiënten door de manier waarop hij met ze omging en de manier waarop hij in het leven stond met zijn grappen, grollen en streken. Zoals hij creatief was met motoren, was hij dat ook in de bezigheidstherapie. Hij heeft daar ontzettend leuke dingen gemaakt en sommige van zijn werkstukken hebben nog lang in de vitrine gestaan. Ik herinner me in het bijzonder een asbak die hij gemaakt heeft en waarop hij zelf ook trots was. Het was voor Klaas veel meer dan bezigheidstherapie. Het was zijn eer om het goed te doen.
Typisch aan Klaas was dat als het ietsje beter ging, hij vrolijk kon zijn en de mensen aan het lachen kon maken. Op die momenten was hij heel geliefd. Hij kon mensen een beetje voor de gek houden of met ze spelen. Ik heb nooit meegemaakt of gehoord dat hij daarin te ver ging. Hij kende zijn grenzen goed en zou nooit iemand pijn doen, ook niet met grappen. Daar was hij veel te menselijk voor.
Als hij slecht ging, trok hij zich terug, maar dan vertelde hij wel wat er aan de hand was, ook tegen de verpleging. Het was soms moeilijk te begrijpen voor de verpleging dat hij zo vrolijk kon zijn en tegelijk ook zulke slechte periodes kende. Sommige verpleegkundigen begrepen zijn gevoelens niet en hadden moeite deze serieus te nemen. Daar heb ik veel met het team over gesproken. Het is namelijk heel ongebruikelijk dat iemand zo sterk kan wisselen. Bij Klaas was er sprake van een combinatie van zijn karakter en zijn aandoening. Hij was ‘outgoing’ van nature: heel vrolijk, heel grappig en goed in contactleggen. Wanneer het slecht met hem ging, was dat er allemaal niet en het verschil was heel erg groot. Ik zag aan Klaas hoe hij leed en dat werd vooral zichtbaar door dat verschil. In mijn carrière als psychiater heb ik zelden iemand gezien die er in het kader van zijn aandoening zo slecht aan toe was als Klaas. Ik had een goed contact met Klaas, dat was de basis. Ik kon met hem meevoelen, ook vanuit mijn eigen ervaringen.
Klaas heeft voor mij persoonlijk veel betekend in die zin dat hij een bijzondere patiënt was door zijn manier van contactleggen en door ons onderlinge contact, ook buiten zijn ziektebeeld om. Als het ietsje beter ging, konden we dingen delen. Onze gesprekken gingen niet alleen over zijn klachten. Hij was iemand die empathie en sympathie opwekte, omdat zijn lijden zo zichtbaar was en zo in contrast stond met het leven dat hij normaal gesproken leidde. Hij was een bijzonder iemand om in behandeling en op de afdeling te hebben.
‘Klaas heeft uitersten
weten te combineren. Hij stelde zich niet als slachtoffer op’
Humor was een heel sterke kant van Klaas en een manier die hij hanteerde om met zijn problemen om te gaan. Humor is één van de meest krachtige afweermechanismen die een mens tot zijn beschikking heeft. Humor is ook belangrijk in de behandeling en daar vonden Klaas en ik elkaar ook vaak in.
Klaas had een goed inzicht in zijn situatie. Hij wist hoe ermee om te gaan totdat het niet meer ging. Ik hoefde hem niets uit te leggen; hij kon het beter aan mij uitleggen dan ik aan hem. Hij was bij uitstek een ervaringsdeskundige, zoals dat tegenwoordig heet. Zijn aandoening was niet iets dat hem was overkomen, maar was onderdeel van zijn persoonlijkheid. Hij heeft van jongs af aan geleerd ermee om te gaan. Zijn positieve houding, zijn humor, zijn moed en zijn streken waren allemaal manieren om ermee om te gaan. Klaas’ krachtigste wapen was zijn humor; hij kon dan stralen.
Klaas’ problemen en het stunten hingen met elkaar samen. Het stunten was een manier om ermee om te gaan. Het is heel bijzonder dat iemand dan toch stuntrijder wordt; het zijn twee uitersten, die hij heeft weten te combineren. Ik vind het heel knap dat hij zich niet als slachtoffer heeft opgesteld, maar dat hij zo lang die strijd is aangegaan. Hij heeft die strijd vooral de laatste twee jaar gevoerd en als het niet meer lukte, kwam hij bij ons en werd hij opgenomen.
Klaas is een aantal malen opgenomen en bij elke nieuwe opname was het steeds erger. Hij was uiteindelijk medicatie- en therapieresistent. Na anderhalf jaar sloeg ook bij het team de moedeloosheid toe. Zijn moedeloosheid en wanhoop besmetten het team op het laatst. Dat werd veroorzaakt door de ernst van zijn ziektebeeld en niet door zijn karakter. De PAAZ is in principe ingericht voor een verblijf van enkele weken en is geen verblijfskliniek. Klaas heeft vooral tijdens de eerste opnames van de behandeling geprofiteerd, maar uiteindelijk konden we hem onvoldoende bieden. Dat was ook de reden om hem te verwijzen naar een kliniek waar ze specifieke programma’s gericht op angst en nieuwe behandelmethoden hadden. Als ik had geweten hoe er met hem zou worden omgegaan, had ik hem nooit verwezen. Klaas werd er als een anoniem iemand in een groep geplaatst en de behandeling was niet toegespitst op zijn persoon. Zijn problematiek werd weliswaar gezien, maar niet in de context van de persoon die hij was. Omdat er vooral protocolair behandeld werd, kon hem te weinig een aangepaste behandeling worden geboden. Hij werd op een wachtlijst van driekwart jaar geplaatst voor nader onderzoek en in afwachting daarvan kreeg hij geen behandeling meer.
Ik denk nog vaak aan Klaas terug omdat hij zo bijzonder en sympathiek was. Het was bijzonder hoe hij met zijn klachten is omgegaan gedurende zijn leven. Soms komt hij in mijn gedachten voorbij zonder aanleiding. Maar er zijn ook concrete aanleidingen, zoals wanneer ik zijn 101-motor zie staan bij mij om de hoek. Ik heb me steeds afgevraagd wat die motor daar doet. Nu weet ik dat hij van zijn oom Ad is.
Ook als ik een motorrijder zie stunten, wat af en toe gebeurt bij mij voor de deur, denk ik altijd aan Klaas. Normaal gesproken heb ik dan een vrolijk gevoel, omdat ik hem kende als een vrolijk persoon, die gekke dingen deed en daar ook trots op was. De andere kant is de droevige kant. Ik denk nog steeds dat het niet had hoeven gebeuren. Ik weet niet of dat terecht is, maar ik ben iemand die de hoop nooit opgeeft. Ik heb vooral positieve herinneringen aan Klaas.